Training
Voetbaltraining jeugd: zo bouw je een training op, met 10 oefeningen

Dinsdagavond, kwart over zes. Twaalf kinderen rennen het veld op, drie ballen rollen al richting het hek en jij staat nog pionnen uit te zetten. Herkenbaar? Een goede voetbaltraining voor de jeugd begint niet op het veld, maar bij een plan: een vaste opbouw, veel balcontacten, weinig wachtrijen en zoveel mogelijk echte voetbalsituaties. In dit artikel lees je hoe je een jeugdtraining opbouwt, met tien oefeningen die we bij jeugdteams steeds weer zien werken, elk met de opzet, waar je op let als trainer en hoe je de oefening makkelijker of moeilijker maakt. Genoeg variatie voor een heel seizoen, van de jongste pupillen tot en met de JO13.
Wat maakt een oefening voor de jeugd goed?
Voordat we de oefeningen induiken: niet elke oefening die er op papier mooi uitziet, werkt ook op een natte dinsdagavond. De beste oefeningen voor een jeugdtraining hebben vier dingen gemeen. Gebruik ze als checklist wanneer je zelf een oefening bedenkt of er eentje van internet plukt.
- Veel balcontacten: als een kind langer in de rij staat dan aan de bal is, is de oefening te groot opgezet. Maak extra groepjes of zet een tweede bal in.
- Herkenbaar uit de wedstrijd: passen, aannemen, dribbelen en scoren gebeuren in de wedstrijd altijd met tegenstanders en ruimte om je heen. Hoe meer de oefening daarop lijkt, hoe beter de overdracht.
- Beslissingen nemen: laat spelers kiezen. Links of rechts, passen of dribbelen, nu schieten of nog één keer kaatsen. Voetbal is een denksport op hoge snelheid.
- Een winnaar: kinderen willen weten wie wint. Een puntentelling, een tijdslimiet of een kleine uitdaging maakt van een saaie herhaling een spel.
Zo bouw je een voetbaltraining voor de jeugd op
Houd een vaste opbouw aan: een korte warming-up met bal, één of twee oefenvormen rond een thema en een partijvorm om af te sluiten. Kinderen weten dan wat ze kunnen verwachten, ze komen sneller in het ritme en jij hoeft minder uit te leggen.
Kies per training één thema, bijvoorbeeld passen, dribbelen, aannemen of afronden. Alle oefeningen staan in het teken van dat thema, zodat spelers het in de partij aan het eind ook echt gaan toepassen. Werk je met een thema van de week, dan kun je het zaterdag in de wedstrijd zelfs terugzien en benoemen. Dat is voor kinderen het mooiste compliment: “Zag je dat? Dat hebben we dinsdag geoefend.”
- Warming-up met bal: 10 tot 15 minuten.
- Oefenvorm rond het thema: 20 tot 25 minuten, eventueel opgeknipt in twee korte oefeningen.
- Partijvorm met hetzelfde thema: 20 tot 30 minuten. Dit is waar kinderen het meest van genieten, dus knibbel hier niet op.
Pass- en trapvormen
Pass- en trapvormen zijn de basis van iedere voetbaltraining. Een goede pass is meer dan de bal bij een ander krijgen: hij moet op de goede voet komen, met de juiste snelheid, zodat je medespeler er direct iets mee kan. Werk in kleine groepjes van drie of vier spelers, zodat iedereen veel aan de bal komt.
1. Driehoek passen
Een klassieker, en terecht. De driehoek dwingt spelers om na de pass in beweging te blijven en de bal open aan te nemen, en dat zijn precies de twee dingen die in de wedstrijd vaak misgaan.
- Opzet: drie pionnen in een driehoek, 8 tot 10 meter uit elkaar. Drie of vier spelers per driehoek, één bal.
- Zo werkt het: speler A passt naar B en loopt mee naar de pion van B. B neemt aan, passt door naar C en volgt zijn bal. Na een minuut draai je de richting om.
- Coachpunten: pass met de binnenkant van de voet en zet je standbeen naast de bal. Neem de bal aan met de voet die het verst van de aangever af staat, zodat je lichaam al openstaat naar de volgende pion.
- Moeilijker: maximaal twee keer raken, een tweede bal erbij, of een tikker in het midden die passes probeert te onderscheppen.
- Makkelijker: grotere driehoek, eerst stilstaand aannemen en pas daarna passen.
2. Poortjesspel
Het favoriete spel van veel pupillen, en ondertussen trainen ze passen, aannemen en vooral: om je heen kijken.
- Opzet: een vak van ongeveer 20 bij 20 meter met acht tot tien poortjes van anderhalve meter breed, verspreid door het vak. Spelers werken in tweetallen met één bal.
- Zo werkt het: elk tweetal probeert binnen een minuut zoveel mogelijk passes door verschillende poortjes naar elkaar te geven. Elke geslaagde pass is een punt.
- Coachpunten: kijk op voordat je passt, roep of wijs waar je de bal wilt hebben en zoek steeds een nieuw poortje op. Het tweetal dat praat, scoort het meest.
- Moeilijker: niet twee keer achter elkaar door hetzelfde poortje, alleen met links, of één tweetal zonder bal dat passes probeert te onderscheppen.
3. Lange bal naar de overkant
Vanaf de JO11 wordt het veld groter en komt de lange pass in beeld. Een goede trap over twintig tot dertig meter is een vaardigheid die je veel moet herhalen, dus geef hem een vaste plek.
- Opzet: een vak van ongeveer 25 bij 25 meter met in elke hoek een pion. Bij elke pion staan één of twee spelers, twee ballen in het spel.
- Zo werkt het: spelers trappen de bal diagonaal naar de overkant. De ontvanger neemt aan, legt de bal klaar en trapt door naar de volgende hoek.
- Coachpunten: neem schuin aanloop, zet je standbeen naast en iets achter de bal en raak de bal met de wreef. Kijk naar de bal op het moment dat je trapt, niet naar het doel.
- Moeilijker: de bal uit de lucht aannemen, of eerst een korte kaatsbal voordat de lange bal mag.
Techniek oefeningen voor dribbelen en aannemen
Techniek oefeningen werken het best als iedere speler een eigen bal heeft. Hoe vaker een kind de bal raakt, hoe sneller het balgevoel groeit. Laat kinderen vrij bewegen in een vak en geef opdrachten die ze direct kunnen uitvoeren, zonder lange uitleg.
4. Vakje dribbelen
Simpel, eindeloos te variëren en perfect als begin van de training: iedereen heeft een bal en is meteen bezig.
- Opzet: een vak dat past bij je groep, voor tien spelers ongeveer 15 bij 15 meter. Iedereen een bal.
- Zo werkt het: spelers dribbelen kriskras door het vak. Op jouw signaal voeren ze een opdracht uit: “stop” (bal onder de zool), “keer” (bal omdraaien en de andere kant op) of “gas” (drie meter versnellen).
- Coachpunten: kleine tikjes, bal dicht bij de voet en hoofd omhoog. Wie naar de bal staart, botst vroeg of laat tegen een ander op, en dat is meteen de beste les.
- Variatie: introduceer een schijnbeweging van de week, zoals de schaar of de passeerbeweging van Cruijff. Op het signaal “nu!” maakt iedereen die beweging.
5. Aannemen en meenemen
De eerste aanname bepaalt hoeveel tijd je hebt. Een speler die de bal in één keer goed meeneemt, staat al een stap voor op zijn tegenstander.
- Opzet: tweetallen op 10 meter van elkaar. Achter de ontvanger staan links en rechts twee kleine poortjes.
- Zo werkt het: de aangever passt en roept vlak voor de pass “links” of “rechts”. De ontvanger neemt de bal in één beweging mee richting dat poortje en dribbelt erdoor. Daarna wisselen.
- Coachpunten: sta open, met je heupen half gedraaid. Neem aan met de verste voet en zie de aanname als je eerste actie, niet als stilstand.
- Moeilijker: de aangever loopt na de pass mee als verdediger en probeert te voorkomen dat de ontvanger door het poortje komt.
6. Tikkertje met bal
Ideaal voor de JO7 tot en met de JO9, maar ook oudere spelers vinden dit stiekem geweldig. Ze leren de bal afschermen zonder dat je het woord “afschermen” hoeft uit te leggen.
- Opzet: een vak van ongeveer 20 bij 20 meter. Iedereen dribbelt met een bal, één of twee tikkers zonder bal.
- Zo werkt het: de tikkers proberen ballen het vak uit te trappen. Wie zijn bal kwijt is, haalt hem op en doet een reddingsopdracht, zoals tien keer de bal van voet naar voet tikken, en mag dan weer meedoen.
- Coachpunten: zet je lichaam tussen de tikker en de bal, en draai weg van de druk in plaats van ernaartoe.
- Variatie: wie zijn bal verliest, wordt zelf tikker. Zo is er nooit een eindpunt en blijft iedereen in beweging.
Partijvormen en afronden
Sluit elke training af met een partijvorm. Kleine partijen, zoals 3 tegen 3 of 4 tegen 4, geven veel meer balcontacten dan één groot partijtje waarin de beste twee spelers alles doen. Ze zijn bovendien de eerlijkste test van je thema: zie je het terug als er een tegenstander is?
7. Drie tegen drie op vier doeltjes
Twee doeltjes per kant dwingt spelers om op te kijken: waar is de ruimte? Is het ene doeltje dicht, dan ligt het andere vaak open.
- Opzet: een veld van ongeveer 25 bij 20 meter met op elke achterlijn twee kleine doeltjes van een meter breed, in de hoeken. Geen keepers.
- Zo werkt het: 3 tegen 3, scoren door de bal door een van de twee doeltjes te dribbelen of te passen. Speel blokken van drie minuten en wissel dan van tegenstander.
- Coachpunten: verplaats het spel naar de kant waar weinig tegenstanders staan, en zet bij balverlies meteen druk. De snelste omschakeling wint deze partij.
- Variatie: 4 tegen 4, of een joker die altijd met het balbezittende team meespeelt.
8. Rondo 4 tegen 2
Er bestaat geen beter middel om passen, aanbieden en balbezit te trainen. Veel profclubs beginnen er vrijwel elke training mee, en jeugdspelers kunnen het ook.
- Opzet: een vak van 10 bij 10 meter voor de JO9, oplopend naar 12 bij 12 voor oudere spelers. Vier spelers aan de buitenkant, twee verdedigers in het midden.
- Zo werkt het: de vier houden de bal in hun bezit. Tien passes achter elkaar is een punt. Wint een verdediger de bal, dan wisselt hij met de speler die de fout maakte.
- Coachpunten: bied je aan zodat er een lijn tussen jou en de balbezitter is, zonder verdediger ertussen. Neem de bal open aan, zodat je naar twee kanten kunt spelen.
- Makkelijker: 5 tegen 2. Moeilijker: maximaal twee keer raken, of een kleiner vak.
9. Afronden na een kaatsbal
Scoren is waar het om draait, en toch staan kinderen bij schietoefeningen vaak minutenlang in de rij. Deze vorm houdt de rijen kort en lijkt op wat er in de wedstrijd gebeurt.
- Opzet: een doel met keeper, een speler met de rug naar het doel op ongeveer 18 meter, en de rest in twee kleine rijtjes op 25 meter. Gebruik bij een grote groep twee doelen.
- Zo werkt het: de eerste speler passt naar de kaatser, krijgt de bal terug in de loop en schiet uit de eerste of tweede aanname. Wie schoot, wordt de nieuwe kaatser.
- Coachpunten: plaatsen gaat boven hard schieten. Kijk voor het schot even naar de keeper en mik laag in de hoek.
- Moeilijker: na de kaatsbal sprint een verdediger mee, zodat de schutter onder druk moet afronden.
10. Partij met themaregel
De afsluiter van elke training, en tegelijk de belangrijkste oefening. Hier zie je of het thema van vandaag is blijven hangen.
- Opzet: 5 tegen 5 of 6 tegen 6 op een veld dat past bij de leeftijd, met twee doelen en keepers.
- Zo werkt het: een normale partij, maar een doelpunt telt dubbel als het thema erin zit. Bijvoorbeeld na een één-twee bij een training over passen, of na het uitspelen van een tegenstander bij een training over dribbelen.
- Coachpunten: laat het spel vooral lopen. Leg het hooguit twee of drie keer kort stil om een goed moment te laten zien, en benoem vooral wat goed gaat.
Oefeningen aanpassen per leeftijd
Dezelfde oefening kan voor een JO8 te moeilijk en voor een JO13 te makkelijk zijn. Gelukkig hoef je niet voor elke leeftijd andere oefeningen te zoeken: met een paar knoppen maak je een oefening passend.
- JO7 tot en met JO9: korte spelletjes met veel herhaling en een verhaaltje erbij (“jullie zijn piraten en de bal is je schat”). Iedereen een eigen bal, weinig regels en vooral veel scoren.
- JO10 en JO11: het veld wordt groter en samenspelen wordt belangrijker. Voeg passvormen en rondo’s toe en begin met eenvoudige afspraken over posities.
- JO12 en JO13: spelers kunnen meer uitleg aan en willen weten waarom ze iets doen. Leg het verband met de wedstrijd en maak oefeningen fysiek en tactisch zwaarder.
- Knoppen om aan te draaien: de grootte van het vak, het aantal keer raken, het aantal verdedigers en de tijd die spelers hebben.
Veelgemaakte fouten bij voetbaloefeningen
Ook ervaren trainers trappen erin. Herken je er eentje? Dan heb je meteen je verbeterpunt voor volgende week.
- Lange rijen: zes kinderen achter één pion betekent vijf kinderen die niets doen. Splits de groep en zet meer ballen in.
- Te lange uitleg: na dertig seconden luistert een negenjarige niet meer. Laat de oefening liever één keer voordoen en verbeter tijdens het spelen.
- Te vaak stilleggen: elke keer dat je fluit, stopt het leren. Coach in de loop en bewaar het stilleggen voor momenten die echt het verschil maken.
- Oefenen zonder tegenstander: pionnen verdedigen niet. Voeg zo snel mogelijk weerstand toe, al is het maar één tikker.
- Elke week iets nieuws: herhaling is geen saaiheid. Kinderen vinden het juist fijn om een oefening te kennen, omdat ze dan kunnen laten zien dat ze beter worden.
Tips voor jeugdtrainers

Leg kort uit en laat snel spelen. Kinderen leren meer van herhaling dan van lange uitleg. Stel liever een vraag dan dat je het antwoord geeft: “Waar stond je verdediger toen je de bal aannam?” blijft beter hangen dan “Je moet open aannemen.”
Geef specifieke complimenten. “Goed zo” is aardig, maar “Mooi dat je eerst opkeek voor je passte” vertelt een speler precies wat hij moet blijven doen. En vergeet de stille kinderen niet: zij hebben een compliment vaak het hardst nodig.
Weet je vooraf hoeveel spelers er komen? Dan kun je de groepsgrootte van je oefeningen al afstemmen. Met acht spelers ziet een rondo of partijvorm er anders uit dan met veertien. Basiself vraagt de aanwezigheid voor elke training automatisch uit en stuurt een herinnering naar wie nog niet gereageerd heeft, zodat je niet op het veld hoeft te improviseren.


